Instagram

Kemper gaat mee met haar tijd. Je kunt haar dus volgen op Instagram.

Blogs en zo

Kijk voor meer columns op NSMBL en Lindanieuws!

De Mohikaan
2013-04-09T04:05:00.000-07:00
Het is heus, ik heb een smartphone. Waarschijnlijk als laatste twintiger van Amsterdam, misschien zelfs als laatste van heel Nederland. Dat is typerend voor mij. Ik ben vaak de laatste. Zo heb ik ongeveer een maand geleden de föhn ontdekt. Föhnen deed ik 25 jaar lang niet, dat vond ik aanstellerij. Je haar kan immers drogen in de wind. Of je kunt er mee naar bed en dan heb je de volgende ochtend droog haar. Staart er in, klaar.
Best wel suf.

Mascara. Nog zo iets. Jarenlang niet gebruikt, totdat mijn moeder me aanspoorde/dwong. Ik was 23 en vond het allemaal gedoe. "Ik voel het zitten." Dat zei ik dan. "Ik voel het zitten en ik kan het ook zíén zitten." Was niet waar natuurlijk, je merkt er niets van. Net als van cola light. Mensen die tussen gewone cola en cola light het verschil zeggen te proeven, willen gewoon stoer doen.

De waarheid luidt dat ik bang ben voor verandering. Mijn oude schoolvriend Johan zei het al eens treffend : "Als ze het decor van het Journaal veranderen, ben ik van slag." Ik ook - dat loopje door de studio, ik vind het nog steeds mallig. Ik wil dat alles blijft zoals ik het heb leren kennen. Mijn klas, mijn fiets, de vrienden van vrienden, het label van de pindakaas, de leader van Pauw en Witteman, mijn huis, de inbox van Hotmail (damn it Outlook!!), de hoofdkarakters uit The Wire, de indeling van mijn supermarkt, alles.

Dat kan niet en dat weet ik wel. Nu heb ik dus een smartphone. En daar sms ik mee.
Automensen
2013-02-13T03:32:00.002-08:00
Laatst zat ik voor de zoveelste keer in de auto van mijn ouders, op de bijrijdersstoel, terwijl mijn moeder buiten in de weer was met een slang. We waren bij het tankstation. Op dat moment besefte ik voor eerst dat er sprake is van een scherpe tweedeling in de samenleving. En dan bedoel ik niet de scheiding tussen bruin en wit, slim en dom, oud en jong. Nee, Nederland bestaat vooral uit automensen en niet-automensen. Ik val in de tweede categorie. Ik ben geen automens, verre van zelfs. Dat ik ruim zeven jaar mijn rijbewijs heb, doet daar niets aan af. Ik rijd namelijk al jaren geen auto meer. Ik vind het niet leuk en – oké- ik durf het niet. (Op de 50everjaardag van mijn vader veroorzaakte ik voor 2500 euro aan schade door buitengewoon slecht in te parkeren. De reactie van mijn vader: “ik vind het niet erg dat je de auto beschadigt, ik vind het erg dat je zo dom bent.”)

Maar hé, ik ben dan ook geen automens. Automensen parkeren in en uit, terwijl ze gewoon doorpraten, weten wanneer ze moeten tanken en hoe dat werkt, begrijpen dat ze vertraagd zullen zijn als er file staat bij knooppunt Eemnes, ze weten waar de A2, de A27 en de A10 liggen, ze schieten niet in de stress van plots invoegende vrachtwagens, begrijpen dat verkeersborden er zijn voor hen en letten daar dus op, ze weten dat het op vrijdag rustiger is op de weg en ze zullen nooit vergeten parkeergeld te betalen – en ja, ze weten hoe dat moet.

Eigenlijk is het gek dat ik pas bij dat tankstation besefte dat ik geen automens ben. Mijn rijlessen hadden me dat al kunnen vertellen. Na elke les moest ik een nieuw t-shirt aan, omdat het oude nat was van het zweet. Ook zei mijn instructeur meerdere keren per uur dat ik moest ontspannen. Als ik zei: “Ik ben ontspannen’, wees hij veelbetekenend naar mijn witte knokkels.
Toch, het besef daalde pas bij het tankstation op me neer. Want voor het eerst wist ik zeker: deze plek is er niet voor mij. Ik ben er wel, maar ook weer niet. Ik stap nooit uit, ik voel me nooit betrokken bij de scene. Vanachter de voorruit zag ik mijn moeder betalen, terwijl een ander automens zijn bandenspanning checkte. 

Soms is er sprake van vermenging, dan neemt de automens de trein en de niet-automens de auto. De eerste groep zal vervolgens klagen over vertraging, volle coupés en vieze prullenbakjes. Uiteraard klaagt de tweede groep over files, hoge parkeertarieven en onbegrijpelijke bewegwijzering.
Ondanks deze enorme verschillen qua normen en waarden, gaat samenleven best wel oké. Het gaat eigenlijk best wel goed. Dat biedt hoop voor bruin en wit, dom en slim, jong en oud.*


*Hier komt nog een grap over Marokkanen, om te bewijzen dat ik geen hippie ben.
Reizen
2012-08-16T14:26:00.001-07:00
Ja, ook ik hou van reizen. Hoewel, dat is niet helemaal waar. Het reizen an sich veroorzaakt bij mij aanzienlijke stress. Lang vliegen, aankomen op een plek die je niet kent en stinken, van het vliegveld bij je hostel komen - dat je je toch schoner en authentieker had voorgesteld- met je gloednieuwe Lonely Planet door een vreemde stad banjeren, van de ene naar de andere plaats gaan met het openbaar vervoer en dan bij de verkeerde bushalte uitstappen en vervolgens de bordjes niet kunnen lezen, omdat alles in het Hebreeuws is, mannen die naar je sissen terwijl je al je (waardevolle) spullen rondzeult, diarree en suffe mensen waar je in Nederland nooit mee zou omgaan, maar nu wel- want je bent blij met welke vorm van aanspraak dan ook. Kijk, deze aspecten van het reizen vind ik allemaal best vervelend. Toch is er iets dat nog vervelender is aan reizen en dat zijn  de mensen die praten over reizen. Op zo'n toontje. Door hen is het woord 'reizen' aan ernstige inflatie onderhevig.

Reizen is het nieuwe denken. Wist u dat? Ik reis, dus ik ben. Of beter gezegd: ik reis, dus ik ben super relaxed en anti-burgerlijk en lekker niet in een hokje te plaatsen en ik hou gewoon van mijn eigen ding doen en ik ben Nederland heel erg zat, dus soms móét ik echt weg, weg van alles. Zo ben ik nou eenmaal, typisch ik, heel eigen allemaal. 
Zeker, wat een eigenzinnigheid! Niemand gaat naar Thailand, Bali, Brazilië of Cuba. Tenminste, niemand doet dat zoals de 'reiziger' dat doet. De echte reiziger doet namelijk net als de locals. Met die locals hebben ze dan ook allerlei diepzinnige gesprekken over het leven. Met handen en voeten, dat geeft niets- ze begrijpen elkaar. En die locals hebben de wijsheid in pacht, echt waar. Ze mogen dan geen stromend water hebben en niet kunnen lezen en schrijven, ze weten wel waar het écht om gaat in het leven. Ze zijn puur en niet verpest door Facebook, de kapitalistische ratrace en de lattes van de Coffee Company. Locals zijn tevreden met weinig. Heel mooi, heel leerzaam en -jawel- heel eigen.

De reiziger wil niet erkennen wat hij werkelijk is. Namelijk: een toerist op een iets langere vakantie dan gemiddeld. Want meer is het niet, zo'n uitstapje naar de Oriënt, laten we wel wezen. Gek genoeg noemen we vakantie ineens een reis als de bestemming ver weg is of het wegzijn een poos duurt. Een weekje Barcelona is geen reis. Een reis begint vanaf een week of vijf, zes. Dus als je anderhalve maand naar Spanje gaat, kun je dat best als reis verkopen. Vooral veel foto's met Instagram maken en met Spanjaarden chillen. Dat Spanje in Europa ligt, doet wel af aan de reiswaardigheid, maar dat gegeven kan dus gecompenseerd worden met de reislengte. Gelukkig maar. Een gewone vakantie is voor burgers.

Nou, I'm a burger and I'm proud. Voorlopig zal ik het woord reizen niet snel meer in de mond nemen om mijn tripjes over de grens aan te duiden. Of ik nou lang wegga of kort, ver weg of dichtbij, ik ben gewoon op vakantie. Met alle stress die daar bijhoort.
De Tien Dealbreakers
2012-07-25T09:44:00.002-07:00
De afgelopen jaren heb ik heel wat afgedate. Kale jongens, net te kleine jongens, jongens met baardjes, jongens met een moeilijke joodse achtergrond, jongens met humor, jongens zonder humor- maar met een mooi lichaam- jongens met een alcoholverslaving en jongens die dachten dat ze indruk maakten als ze zeiden dat ze een boek hadden gelezen. Allemaal hadden ze iets leuks en allemaal hadden ze iets verschrikkelijks.

Hoe dan ook, ik wil ze bedanken. Ze hebben bijgedragen aan mijn eigen tien geboden, oftewel de Tien Dealbreakers. Als een jongen vijf á zes van de tien onderstaande stellingen met 'ja' beantwoordt, weet ik dat ik er geen energie meer in hoef te steken. Dat scheelt een hoop tijd. En energie, ja.


* 'Hun hebben' is correct Nederlands.
* Het is echt knap als ik een maand geen drugs gebruik.
* Forrest Gump is een heel mooie film.
* Interpunctie is irritant en overbodig.
* Lid zijn van een studentenvereniging is een verrijking van je leven.
* Amsterdam is de enige stad van Nederland.
* Elke dag schoon ondergoed aantrekken is overdreven.
* Op een festival mogen mannen best schmink dragen. Of hun torso goud verven. Of veertjes in hun haar doen (enz.).
* Mijn familie spreek ik eigenlijk nooit.
* Als iemand in de weg staat, zeg ik: 'sorry, mag ik even plagen?'.
Ikea
2012-07-18T10:05:00.001-07:00
Vandaag was ik in de Ikea. Het overkwam me. Mijn huisgenoot wilde namelijk een nieuwe bank kopen en aangezien haar huis in praktische zin ook mijn huis is, ging ik mee. Het werd de Ikea in Haarlem, want dat scheen handiger te zijn qua autoroute.

Zelden kom ik in de Ikea. Ik vind het niet leuk. Er zijn heel veel spullen, heel veel huilende kinderen, heel veel stelletjes die hand in hand lopen en over hun fantasieloze inrichting praten, heel veel frutsels en er zijn gewoon heel veel spullen. Vooral dat laatste beangstigt me. In bouwmarkten ervaar ik hetzelfde. Ooit moest ik in de Gamma aanwijzen wat voor deurklink ik wilde, er waren meer dan tien opties. Daarna moest ik zeggen wat voor plinten er rondom de nieuwe deur moesten komen. Wederom bleek 'weet ik veel, gewoon' niet te volstaan. Van dat soort dingen word ik nerveus.

Gelukkig wist mijn huisgenoot al welke bank het moest worden. Dat had ze opgezocht op internet. Het was een mooie bank, we hebben er een tijdje op gezeten en enkele keren herhaald hoe lekker de bank zat en dat we nu nog relaxter voor de tv konden eten. Deze bank luidde het begin in van een mooi tijdperk. Hosana regelde dat de hoes in de door ons gewenste kleur apart werd gelegd voor ons. Er was er nog maar één in die kleur, dus het kon zomaar gebeuren dat iemand anders hem in de tussentijd zou meenemen. We vonden het fijn dat Hosana zo met ons meedacht. Eenmaal bij het magazijn moesten we naar Jonathan vragen, zei ze.

Nog één ding stond een soepel bezoek aan de Ikea in de weg: nieuwe kussens. Plotseling had ik daar behoefte aan. Na enig wikken en wegen vond ik een kussen dat aan mijn eisen voldeed. Nu moest ik nog nieuw beddengoed. Ja, echt, dat had ik nodig, zo ineens. En we waren er nu toch.
Ik zocht, ik vond, we liepen door naar het magazijn om de onderdelen voor de bank op te halen. Het was een lange tocht, die leidde langs nog meer spullen. We boden dapper weerstand.
Aangekomen bij het magazijn gaf een jongen, of hij Jonathan heette vertelde hij niet, ons de hoes voor de bank. In de juiste kleur.

Eigenlijk ging het pas mis bij de kassa.
'Je hebt een showmodel gepakt. Die kan ik je niet verkopen', zei de kassajongen enigszins triomfantelijk. Hij hield het witte kussen vast en was niet van plan het nog aan me te geven. Dat zag ik aan zijn handjes.
'Hoe weet ik dat dit een showmodel is?'
'Het heeft een plastic label. Kijk maar.'
'Maar hoe weet ik dan dat kussens met plastic labels showmodellen zijn?'
'Dat is gewoon zo.' Voor hem was het een absolute zekerheid, alsof hij zei: 'Vogels leggen eieren.'
Ik werd niet agressief- dat viel me mee- en vroeg: 'Hoe lossen we dit op?'
'Nou, ik leg het kussen nu hier.'
En de triomfantelijke kassajongen legde het kussen achter zich neer in het kassahok. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Hij keek hoe ik keek, klantvriendelijk glimlachend. Nog steeds was ik niet boos of agressief. Ik had altijd nog mijn beddengoed.
'Je mag pinnen.'
Heel prettig, dat dat zomaar mocht. De Ikea viel me reuze mee, dit keer.
Ziek
2012-06-27T04:24:00.001-07:00
Ik ben ziek en dat is nu al een paar dagen het geval. Inmiddels ben ik weer in staat om mijn laptop en telefoon te gebruiken, wat contact met de buitenwereld aanzienlijk vereenvoudigt. Enkele dagen geleden kon ik zelfs de tv niet verdragen. Waar hadden al die mensen het over? Bovendien, ik had geen tijd voor ze. Ik moest haaien vangen, de dekens perfect glad strijken, rennen door brandende straten en bloemen plukken tot in de eeuwigheid. Als straf. Hele avonturen heb ik beleefd, zwetend en malend in een bed dat veel te warm was. En veel te koud.

De wereld wordt klein en overzichtelijk als je alleen maar kunt liggen en kermen. Gelukkig kende mijn dagen enkele hoogtepunten, waarvan eten en douchen toch wel de absolute toppers waren. Soms moest ik omhoog komen om pillen te slikken, dat was even moeilijk, maar achteraf was ik blij met de nieuwe dosis pijnstillers in m'n lijf. Zowel mijn ontbijt als lunch en avondeten bestond uit roze pilletjes.

Helaas hielpen die pillen niet tegen de vreemde gebeurtenissen rondom mijn ogen. Zowel mijn oogleden als de onderkant van mijn ogen vulden zich met vocht. Ik zag er - ik zal er maar eerlijk over zijn- uit als een mongool. Mijn ouders vonden het mooi geweest, die 39 graden koorts zat ze ook dwars. Ik was al een paar dagen bij ze en er veranderde niks. Moeders en ik scheurden naar de huisartsenpost.

'Je hebt last van je keel?' vroeg de lieve mevrouw.
'En mijn ogen zijn ook raar.'
Ze trok haar wenkbrauwen op en zei: 'O, tja, ik weet natuurlijk niet hoe je er normaal uitziet.'
'Nou, niet als een mongool!' Dat was mijn moeder, ik was vergeten dat ze naast me zat. Ik was alweer heel veel dingen vergeten. Ze nam het de dokter kwalijk dat zij veronderstelde dat mijn moeder een lelijk kind op de wereld had gezet. In de auto had ze het er nog over.
'"Ik weet niet hoe je er normaal uitziet." Hallo zeg, toch niet ZO!'
De dokter kon niets aan mijn ogen doen, zei ze. Ik kreeg wel pillen voor mijn keel, want mijn amandelen waren 'knalrood met witte stippen'. Die grap moest ze al heel vaak gemaakt hebben.

Toen het ietsje beter ging wilde ik weer naar mijn eigen huis. Ik ben 25, dus dan voelt het extra sneu om bij je ouders te hangen. Maar toen de koorts en de bijbehorende dromen vannacht weer begonnen, wilde ik niets liever dan de koele handen van mijn moeder op mijn wangen. Of de stem van mijn vader horen die zegt dat het wel goed komt. Roze pillen zijn fijn, maar niets helpt beter dan een papa en een mama.

P.S. Als ik ziek ben, word ik een beetje sentimenteel.
Nieuwe schoenen
2012-06-19T06:57:00.001-07:00
Een vriend van mij is kwaad op een vriend van hem. De reden is simpel, maar daardoor niet minder interessant. Het zit zo. Mijn vriend, ik noem hem Jeroen - hij wil vast niet met zijn echte naam genoemd worden, omdat het een gevoelige jongen is- , heeft een mooi paar schoenen gekocht. Ze zijn van blauw suède en hebben een puntneus. Kortom, schoenen voor mannen met een sterk eigen karakter. Toevallig vond een vriend van Jeroen dat ook. ‘Mooie schoenen’, zei hij daarom. ‘Waar heb je die vandaan?’ Omdat Jeroen er geen kwaad in zag, vertelde hij waar hij zijn schoenen gekocht had. Tot zover een normaal gesprek, niets aan de hand. Tot een week later. De vriend had precies dezelfde schoenen gekocht, zo meldde een foto op facebook. Jeroen ontving een smsje. Of hij het even kon laten weten wanneer hij die schoenen aantrok, zodat hij en de vriend niet tegelijk hun blauwe schoeisel zouden dragen. Want dat is natuurlijk not done.

Nu begon het Jeroen toch wel te irriteren. Hij had de schoenen immers als eerst, maar omdat hij zijn aankoop niet op facebook had geplaatst kon niemand dat weten. En de mensen moesten het wel weten. Gewoon, het was een principekwestie. Daarom reageerde hij op de sms met de woorden dat hij niet zou laten weten wanneer hij de schoenen droeg, omdat HIJ ze eerder had. Onder de schoenenfoto op facebook maakte hij ook voor eens en voor altijd duidelijk dat HIJ de schoenen als eerst had. ‘Misschien heel kinderachtig’, zei Jeroen een paar dagen later in de kroeg, ‘maar het zijn gewoon MIJN schoenen.’ En zo is het.
Neuroses
2012-06-19T06:53:00.001-07:00
Mensen zeggen dat het aan mij ligt, maar ik zeg dat het aan de mensen ligt. Mijn zus is het met me eens, zij ervaart dezelfde narigheid zodra ze in Amsterdam op de fiets stapt. Wij willen allebei zo snel mogelijk van A naar B. Dit plezier wordt ons zelden gegund. Want hoe vaak staan er wel geen schaapachtige toeristen op het fietspad? Hoe vaak fietsen mensen niet dóór? Hoe vaak slaan mensen onaangekondigd rechtsaf, terwijl je ze nét aan het inhalen bent? Wie mijn donkerste kant wil kennen, moet me bezig zien in het verkeer waar ik me fietsend en scheldend een weg doorheen baan. Het is me nog nooit gelukt om ergens kalm en onbezweet aan te komen. Het schijnt mogelijk te zijn. Ik snap niet hoe.

Eigenlijk gaat het precies hetzelfde als ik op straat loop. Ik wil nooit vlak achter iemand lopen, en met ‘vlak’ bedoel ik minstens vijf meter. Zo iemand moet ik dan voorbij, ook al heeft dat tot gevolg dat ik een te hoog tempo moet aanhouden. Wat ik ook haat: mensen die te vlak achter mij lopen. Voor hen heb ik een motto: haal in of hou afstand. Doen ze dat niet, dan blijf ik stilstaan en wacht ik tot ze me ver genoeg voorbij zijn gewandeld. Dat ik hierdoor vaak meewarig wordt aangekeken, doet me niks. Alles voor mijn personal space.

Ik begrijp niet dat mensen niet inzien dat ze irritant bezig zijn. Je snapt toch wel dat je niet luid pratend dicht achter een ander moet aanlopen? Volgens een goede vriendin is dit echt mijn eigen neurose. Zij merkt het niet eens als we op straat worden ‘ingesloten’ door langzame voorlopers en hardpratende achterlopers. Het enige wat zij doet is grinniken als ik geërgerd mijn pas versnel. Ik bewonder haar om die kracht, die kracht waarmee ze alles van zich laat afglijden. Toch kan ze soms overdrijven. Toen ze laatst werd aangereden door een man op een racefiets, bood zij meermaals haar excuses aan, terwijl hij tegen haar bleef schreeuwen dat ze moest uitkijken. Als hij mij had aangereden was de derde wereldoorlog uitgebroken. Dat ligt niet aan mij, dat ligt aan hem.